lichtdonkerlichtdonkerlichtdonkerlichtdonkerlichtdonkerlichtdonkerlicht
Verklaar je nader.
Nee.
Nee?
Nee.
En waarom zet je het ‘licht’ niet tegen een lichte achtergrond en het ‘donker’ tegen een donkere?
Nee.
Het is een kleine moeite.
Nee.
Kijk, ik doe het voor je:
Nee.
Blijf je nee zeggen?
Ja.
Wat doe je nu?
Wandelen.
Waar naartoe?
Naar nergens.
Met wie?
Alleen.
Een uur?
Geen uur, altijd.
Altijd?
Ja.
Waar ben je nu?
Tussen de velden.
Tussen de velden?
Ja.
Ben je alleen?
Ja.
Zie je iemand?
Nee.
Is het mooi weer?
Ja.
Kom, we drinken iets.
Nee.
Wandel je nog altijd?
Ja.
Nog steeds tussen de velden?
Ja.
Zie je nog iets, behalve de velden?
Ja.
Wat?
Wachtende mensen.
Wachtende mensen?
Ja.
Waar wachten ze op?
Dat weet ik niet.
Je kan het toch vragen?
Ja.
Vraag het dan!
Nee.
Het zou vernietigend zijn.
Wat zeg je?
Niks.
Je zei iets.
Ja.
Wat zei je?
Niks.
Je zei iets over vernietigen.
Nee.
Wat doe je nu?
Kijken.
Kijken?
Kijken.
Naar wat?
Naar de mensen.
Wachten ze nog altijd?
Ja.
Op wie of wat wachten ze, heb je het hen al gevraagd?
Nee. Ik hoef dat niet te vragen.
Je weet het?
Ja.
Zonet zei je dat je het niet wist.
Ja.
Staan ze te staan?
Ja.
Praten ze?
Soms.
Wat zeggen ze?
Dat kan ik niet horen. Ze maken gebaren. Ze spelen een computerspel. Of scrabble.
Kan je dat zien?
Ja. En ze luisteren naar muziek. Ze gaan zelfs naar concerten.
Daar, tussen de velden?
Ja.
En jij kan dat zien?
Ja.
Wat zie je nog?
Sommigen lezen een boek. Anderen lezen een tijdschrift. Of ze luisteren eerst muziek, en dan spelen ze een spel, of dan praten ze met elkaar, of dan lezen ze een boek. Of ze gaan op reis.
Ben je zeker?
Ja.
En dat op reis gaan, doen ze dat ook tussen de velden?
Ja.
Met auto’s en vliegtuigen en zo?
Ja.
En de landingsbanen?
Doe niet zo stom.
Jij bent degene die beweert dat de mensen tussen de velden spelletjes spelen en boeken lezen, en dat er landingsbanen zijn.
Dat is waar.
Er zijn geen landingsbanen tussen de velden.
Toch wel.
En de mensen wachten?
Ja.
Dan is het makkelijk; ze wachten op een vliegtuig.
Ja, waarschijnlijk.
Waarschijnlijk?
Ja, waarschijnlijk.
Wat anders?
Ze wachten op een ander tijdschrift, of op een boek, of op een muzikant.
Maar je hebt hen toch niet gevraagd waar ze op wachten?
Nee.
Hoe weet je dat dan? Kan je het zien?
Natuurlijk niet, ik kan geen gedachten lezen.
Waarom zeg je dan wat je zegt?
Omdat ik zeg wat ik zeg.
Je verkoopt onzin.
Ja.
Je vindt dat niet erg?
Nee, dan is dat maar zo.
Je maakt je belachelijk.
Dan is dat ook maar zo.
Je belandt nog in het gekkenhuis.
Dat betwijfel ik.
Je verkoopt dommepraat.
Nee.
Wachten de mensen nog altijd?
Ja.
Zie je wel, je bent gek. De mensen wachten immers helemaal niet, ze doen hun werk, of ze gaan op reis, of ze wandelen of ze gaan skiën.
Ja, dat klopt.
Waarom zeg je dan dat ze tussen de velden staan te wachten?
Omdat hier geen woestijnen zijn. En omdat je er om vroeg.
Hoe kom je nu bij die woestijnen?
Dat is een lang verhaal.
Vertel het maar, ik heb tijd.
Nee. Ja, jij hebt tijd, jij wacht namelijk ook.
Wacht ik ook? Ik wacht niet. Ik vraag je iets en je geeft domme antwoorden.
OK.
OK?
Ja, OK.
Ik ben je domme antwoorden beu. Ze zijn niet eens antwoorden.
OK. Dag!
Bedoel je dat je wilt dat ik wegga?
Ja.
Je meent het?
Ja.

Reacties